Zijspoor

Soms zet God mij op een zijspoor,

Dwingt Hij mij om stil te staan,

Vraagt Hij wat ik met mijn leven,

Mijn talenten heb gedaan.

 

De talenten, die ‘k verspeelde

In mijn hang naar aards geluk.

En Gods beeld, dat ‘k uit moest dragen,

Brak ik door mijn hoogmoed stuk.

 

Radeloos zie ik mijn leven

Dan doorzeefd met Godd’lijk Licht,

Donker komen mijn gedachten

Al wat ik verborg, in ’t zicht.

 

Slechts het offer van mijn Heiland

Geeft mij moed als ‘k tot Hem schrei:

“Heer’, vergeef mij al mijn zonden,

Maak U zichtbaar, ook in mij.”

 

 

Uit: Heimwee naar later