Zebrapad

‘k Stond voor het naaste zebrapad,

Maar het sein sprong juist op rood.

De auto’s raasden langs mij heen,

De wielen van de dood.

Ik voelde een vuistje, warm en zacht

Zich nestelen in mijn hand.

Twee heldere ogen vroegen mij:

“mag ik mee, naar de overkant?”

 

Een knipoog en een handgebaar

Die zeiden hem genoeg.

Hij kneep zijn hand wat vaster beet,

Zonder dat hij meer vroeg.

“Groen”, hoorde ik zijn hoge stem,

Nog vaster greep zijn hand.

Wij kruisen saam’ het zebrapad

Op weg naar de overkant.

 

Op het trottoir liet hij me los

En hij zei:”Tot morgenvroeg,

Dan mag ik toch weer met u mee?

Elf uur is vroeg genoeg!”

Zijn blind vertrouwen trof mij zeer.

Was mijn geloof maar zo groot

In Hem, die op de levensweg

De Vaderhand mij bood.

 

“Heer houdt Gij in Uw Vaderhand

Mijn oude hand gevat,

Straks bij de grote oversteek

Van het laatste zebrapad.”