Cantique de Jean Racine

Verbe égal au Très-Haut, notre unique espérance,
Jour éternel de la terre et des cieux;
De la paisible nuit nous rompons le silence,
Divin Sauveur, jette sur nous les yeux!

Répands sur nous le feu de ta grâce puissante,
Que tout l'enfer fuie au son de ta voix;
Dissipe le sommeil d'une âme languissante,
Qui la conduit à l'oubli de tes lois!

O Christ, sois favorable à ce peuple fidèle
Pour te bénir maintenant rassemblé.
Reçois les chants qu'il offre à ta gloire immortelle,
Et de tes dons qu'il retourne comblé!

 

Woord gelijk aan de Allerhoogste!
Onze enige hoop,
Eeuwige dag van de aarde en de hemelen,
……… van de vredige nacht,
wij verbreken de stilte,
Goddelijke Heiland, richt uw blik op ons!

Verspreid over ons het vuur van uw machtige genade,
Dat de hele onderwereld, dat de hele onderwereld
Vlucht bij de klank van uw stem,
Verdrijf de slaap van een smachtende ziel
Die haar brengt tot het vergeten van uw wetten.

O Christus wees dit trouwe volk welgezind
dat om u te loven nu bijeen is,
Ontvang de gezangen die het aan uw onsterfelijke glorie aanbiedt
En het keert terug vol van uw gaven.



Fauré schreef zijn 'Cantique de Jean Racine' als eindexamenwerkstuk in 1864. Hij was 20 en met deze Cantique sloot hij in 1865 zijn studie aan de École Niedermeyer af. De tekst van de Cantique stamt uit het gebedenboek van de katholieke kerk. Fauré gebruikte een vertaling die de grote Franse toneelschrijver Jean Racine in 1655 maakte. Veertig jaar lang bleef de componist zijn jeugdwerk trouw. Oorspronkelijk geschreven voor vierstemmig gemengd koor en orgel (of piano), maakte hij later diverse bewerkingen. Er is een versie voor koor, harmonium en strijkkwintet en een versie voor gemengd koor en orkest uit 1905.